OESO-rapport biedt geen betrouwbare inkomensvergelijking

15 december 2011

In het Financiële Dagblad van 5 januari 2009 stond een artikel over het rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waarin de inkomens van huisartsen en medisch specialisten uit 14 landen met elkaar worden vergeleken. Nederlandse medisch specialisten staan volgens de OESO bovenaan op de inkomensranglijst.

De Orde heeft net als de vorige keer dat er een publicatie op basis van het OESO- rapport kwam, weer stevige kritiek op het onderzoek. Ten eerste omdat– een conclusie die de OESO zelf ook trekt  mede door het gebruik van gegevens uit verschillende bronnen, de gehanteerde schattingsmethodes en het verschil in definiëring van inkomens goede vergelijking niet mogelijk is en vervolgens omdat per land gegevens uit 2003, 2004 of 2005 zijn gebruikt. Gezien alle wijzigingen die de laatste jaren zijn doorgevoerd in de honorering van medisch specialisten in Nederland, zijn rapportages over gemiddeld 5 jaar oude data niet meer relevant. 

Daarnaast had de Orde ook inhoudelijke kritiek op het OESO-rapport. Deloitte & Touche kwam in opdracht van de Orde na een grondige analyse tot een groot aantal bevindingen. In het kort: 

De definitie van medisch specialist en daarmee de kwaliteit van de professional zijn per land verschillend.

Een kanttekening die de OESO plaatst bij de vergelijkbaarheid van de data is dat elk land een andere categorisering voor medisch specialisten hanteert. In sommige landen vallen onder de categorie ’specialisten in loondienst’ ook de huisartsen in loondienst. Dit leidt tot een onderwaardering van de gemiddelde bruto jaarinkomsten van de medisch specialisten in dat land.

Voor medisch specialisten in dienstverband wordt met fte’s gerekend, voor medisch specialisten in het vrij beroep met het aantal actieve medisch specialisten. Het wisselend gebruik van fte of ‘head count’ maakt een vergelijking onmogelijk.

Bruto jaarinkomsten van de medisch specialisten uit de verschillende landen over verschillende jaren. Een verschil van drie jaren tussen twee gemiddelde bruto jaarinkomsten kan een effect van 7%-10% hebben.

Onbekendheid met de wijze waarop de effecten van de verschillende belastingstelsels zijn verwerkt. De belastingdruk in de diverse landen is zo uiteenlopend dat de bruto jaarinkomsten ook geen goede maatstaf zijn voor een vergelijking van de inkomenspositie.

Informele betalingen, dagelijkse praktijk in verschillende van de onderzochte landen, zijn niet meegenomen. Uit eerder onderzoek van Deloitte bleek al dat voor vele landen in Europa duidelijk aanwijsbaar sprake is van een derde geldstroom, die niet traceerbaar is en derhalve in onderzoeken niet wordt meegenomen.

In sommige landen zijn overwerk en/of vakantiegelden en/of gratificaties meegenomen bij de bepaling van de gemiddeld bruto jaarinkomsten en in andere landen niet. Kortom, geen duidelijkheid over bonussen, overwerk en dergelijke in de verschillende landen.

Ook de inkomsten van de medisch specialisten worden niet overal op dezelfde wijze berekend. Van slechts 4 landen zijn gegevens over inkomsten uit de private sector opgenomen. 

In de vergelijking van de landen Tsjechië, Denemarken, Finland en Groot-Brittannië is expliciet aangegeven dat de inkomsten, gegenereerd in de private sector, niet zijn meegenomen in de berekening van de gemiddelde bruto jaarinkomsten van de medisch specialisten. Wel is duidelijk dat deze inkomsten worden genoten. Dit resulteert in een onderwaardering van de gemiddelde bruto jaarinkomsten in deze landen.

Er bestaat geen duidelijkheid over de mate, waarin de praktijkkosten van de vrijgevestigde medisch specialist zijn verwerkt in de bruto jaarinkomsten.

Het is onduidelijk welke financiële componenten in relatie tot de opleiding wel en niet zijn meegenomen. Het salaris van assistenten is een kostenpost en ook de tijd die wordt besteed aan het opleiden is substantieel.
Deloitte concludeert eind 2005 dat de internationale vergelijking van de gemiddelde bruto jaarinkomsten van professionals en van medisch specialisten in het bijzonder, veel verwarring geeft en de facto onbetrouwbare informatie geeft. De resultaten moeten met de grootst mogelijke omzichtigheid worden geïnterpreteerd. 

Geconstateerd kan worden dat de bevindingen van Deloitte&Touche in 2005 ook van toepasbaar zijn op het rapport van de OESO in 2008. De Orde constateert dan ook samen met de OESO dat dit onderzoek in de verste verte niet leidt tot een betrouwbare ’inkomensvergelijking’