Column Marianne ten Kate-Booij: Balbezit

23 juni 2016

In de week dat deze column verschijnt, gaat het EK alweer de achtste finale in. Hoewel ik persoonlijk niet zoveel met voetbal heb, zie ik om me heen veel mensen aan de tv gekluisterd zitten. Ook mensen die vooraf dachten dat het niet spannend zou zijn “omdat wij niet meedoen”. Blijkbaar wordt je dus ook geraakt, als je zelf niet één van de spelers bent.
Voor opleiden is dat niet anders. Lang werd dit gezien als iets wat alleen aios en opleiders aanging. Maar die opvatting is niet meer houdbaar. Ook als ‘niet-opleider’ vervult elk lid van de opleidingsgroep tegenwoordig een belangrijke rol bij het opleiden van aios. Zo wordt het beoordelen steeds vaker in teamverband gedaan, wat zorgt voor een objectiever beeld van de ontwikkeling die de aios doormaakt en een breder draagvlak voor het bekwaam verklaren.

Het mede-beoordelen van een aios voelt misschien nog alsof u vanaf de zijlijn meekijkt en de wedstrijd becommentarieert. Maar door de individualisering staat u ineens zelf als speler op een interessant speelveld; die van de bedrijfsvoering. Voetballen leer je niet door op de bank te blijven zitten. Zo kun je ook alleen maar medisch specialist worden door een actieve deelname aan de dagelijkse praktijk. Hierbij is het draaien van diensten een wezenlijk onderdeel. Maar door de individualisering van de opleiding - een ontwikkeling die ik overigens volledig onderschrijf -  én de verminderde toestroom van aios, wordt de spoeling een stuk dunner. Minder aios op de werkvloer, zowel overdag als voor de het draaien van diensten. Dat leidt tot gaten in het rooster. Tijdens het congres ‘Individualisering Opleidingsduur: wat betekent dit voor jou?’ maakten aios een helder statement: als wij er niet zijn, moeten medisch specialisten de openvallende werkzaamheden verrichten. Een enkele opleider was het daarmee eens: “Aios komen hier om te leren, niet om roosters te vullen”. Het merendeel van de opleiders vroeg zich echter af of nóg meer werkzaamheden erbij en extra diensten haalbaar en reëel is. Maar wie moet de gaten dan opvullen? En hoe bekostigen we dit? Moeten we wellicht toe naar minder opleidingsziekenhuizen in Nederland zodat we daar efficiënter op kunnen leiden?
“Ja, maar…” hoor ik om mij heen “dat moet de manager/het ziekenhuisbestuur/iemand anders maar oplossen, daar ga ik niet over.” Los van de vraag of je mee moet denken over dergelijke vraagstukken, is de afweging of je dit wil. De individualisering gaat gevolgen hebben voor de logistiek op de afdeling. Maar het kan toch niet zo zijn dat anderen bepalen hoe dat er in de praktijk uit gaat zien? Hou zelf de regie en blijf aan zet. Of zoals voorzitter van de Federatie Medisch Specialisten Frank de Grave tijdens ons congres de aanwezigen opriep: “Bedenk samen hoe je de opleiding goed en betaalbaar houdt, voordat anderen dit voor je bepalen.”

Mijn oproep aan u is duidelijk: blijf niet aan de zijlijn staan, maar zorg dat je aan bal komt. Hier kunnen mooie voorzetten uit voort komen.

Marianne ten Kate-Booij, voorzitter van de Raad Opleiding van de Federatie en gynaecoloog

(Deze column is verschenen in Medisch Contact op 23-6-2016)